VANDAAG

18 mei (2024)

Hoogmoed

Hoge bomen vangen veel wind,
Dat weet op zich al ieder kind.
Dus gaat het niet verbazen,
Dat men hier staat te blazen
Aan de mooie Boompjeswal.

Men windt er niet omheen de doeken:
Het gaat alweer over de roeken,
die hoog in de kruin der bomen
Hun stelling hebben ingenomen,
Luidkeels, met kabaal.

Ook wonen er bijwijlen uilen,
Die veilig hier wisten te schuilen.
Wat staat hun te gebeuren?
Ze moeten erom treuren.
Dat wisten jullie al.

Er komt alhier een nieuwe toren.
Dit fraai idee is fris geboren
Uit het brein van het bestuur.
Dat is nu eenmaal hun natuur.
De schaapjes in de stal.

Een heilig stuk moet dan gekapt,
Iets wat toch elke burger snapt.
Want huizen moeten gebouwd,
En met mensen volgestouwd.
Ook hier aan deze wal.

En hoog en heilig wordt gezegd,
Dat alles open was gelegd,
Om vooraf te bekijken,
Om later niet te zeiken.
Dat is nu het geval.

Roekeloos vindt men dit plan
En denkt hier zo het zijne van.
Voelt zich gepasseerd,
Alsof dit niemand deert.
Men roept om perk en paal.

En daar waar de Berkel ooit nog stroomde,
Het oude Polsbroek toen omzoomde,
Zwijgen stil de bomen,
Tot de zagen komen.
Komt hoogmoed voor de val.

- Wolfram Reisiger

Terug naar alle gedichten

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief!

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

×