VANDAAG

22 april (2024)

Een ontmoeting in de geest

Toen koetsen en calèches van Zutphania
naar Klein Dochteren en Lochem sjeesden,
de kapziekte van Bosbeheer nog niet had toegeslagen
en de vogels zich tussen veerkrachtig groen
of al verkleurend blad uitbundig roerden, soms
ook zwegen als de lage ochtendzon
gefilterd over Velhorstpaden scheerde,

was daar de kwieke, zij het stille tred
van De Gorter, David en zijn metgezel
Jan Floris Martinet, die uur na uur te voet
hun liefde voor het wilde plantenrijk en
het domein van schuwe dieren vierden.
De een botanofiel, de ander
predikant en catecheet van de natuur,

beiden bezield, verlicht, vervuld van
innerlijk en altijd gloeiend vuur –
David de G, vriend en leerling van Linnaeus, lijfarts
van de Russische tsarina, later ook de hooggeleerde
Vader van de Nederlandse floristiek, die twee jaar
na Jan Floris’ Katechismus der Natuur
en twee jaar voor zijn dood Flora Zutphanica

als late pennenvrucht bij andere geschriften voegde,
leefde zijn laatste jaren in en om de stad
van schippers, wevers, oude adel, door de wol
geverfde lettervreters en de veelgeprezen Martinet.
De schim van JFM, de geest van DdeG, je ziet ze
op de Velhorst soms passeren, fronsend of ontzet
door de littekens en kaalslag in het uitgedunde bos.

Zwaar materieel heeft voren in de grond getrokken.
Gaten waar eerst bomen stonden. Het gekerm
van motorzagen, stervend hout, de dieseldreun
van trekkers, heftrucks. De gekapte buit eenmaal
verkocht laat men de wandelaar week in week uit
door diepe wielsporen vol prut en water waden.
De zwarte specht is uit zijn hoge beuk verjaagd,

hij hakt nog kevers uit een berk-met-stip
die morgen wordt geveld. In het voetspoor
van twee schimmen (transparant, onthecht,
gedreven als altijd) sluip je nader om die schuwe
stamgast bij de bospoel te bespieden. De vogel
blijkt gevlogen, is verkast naar andere oorden.
Niets bereikt dus en toch iets geleerd.

De Gorter snuift echter, hij snuift en slikt wat
weg: een geur dringt in zijn neus en tilt hem op
naar hoger sferen. ‘O, de welriekende agrimonie
brengt mij buiten zinnen… en daar, op ruikafstand,
dat bospad met de weeë zoete geur van de azalea
die mij telkenjare voor een dag of wat drogeert.’
Tegen vallend donker gaat het weer terug

langs gewimperd veenmos, wijfjesvarens, kale jonkers.
De wegberm is een bloemenrijk, vaak onopgemerkt
of weggemaaid, met wonderlijke namen om te lezen:
Het rapunzelklokje en de hemelsleutel,
bijenorchis, stijve zegge, grote pimpernel –
Voor rood guichelheil en inktviszwam
moest je op een ander landgoed wezen.

H.C. ten Berge

Opgedragen aan Kasper Reinink, botanicus en geestverwant van David de Gorter.

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief!

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

×