VANDAAG

  • 02 december (1912) Isaäc Groneman

Zomerlezen

In Contact Zutphen-Warnsveld d.d. 20 juli 2022 plaatst Stichting Zutphen Literair onderstaande column van Ingrid van der Graaf (recensent en columnist bij Literair Nederland).

Zomerlezen

In de laatste week voor de vakantie, waarin alles samenhoopt tot een onoverzichtelijke berg aan dingen die opgelost, aangeschaft of afgerond moeten worden, helpt het lijstjes te maken. Het mooie aan een lijstje is dat er dingen afgestreept kunnen worden. Met elk streepje komt de vakantie dichterbij, het pre-vakantie gevoel. Op het lijstje ‘te doen’ noteer ik: ‘voorraadkast opruimen / kattenoppas regelen / teenslippers / boot bespreken’. De reis gaat naar een van de waddeneilanden, zon, zee en ruimte. Op het lijstje ‘mee te nemen’ staat: ‘espressopotje / havermout / zaklamp / boeken’, het laatste staat er enkel om het afstrepen, want lezen op vakantie is net zo natuurlijk als een duik in de Noordzee bij ochtendgloren. Dat eindeloos door kunnen lezen, afgewisseld met een verplaatsen van dingen, slaapzak opschudden, boodschappen bij de supermarkt, fles wijn koel zetten, doorlezen. Boek na boek, te beginnen met Parbo Blues van de Nederlands-Surinaamse schrijfster Tessa Leuwsha.

Haar debuutroman uit 2005 verscheen deze maand in herdruk. Haar vader was een van eerste Surinamers die naar Nederland kwamen, trouwde een Nederlandse vrouw, woonde in de Jordaan in Amsterdam, ging nooit meer terug naar Suriname. Een leven van jazz, blues en ongewoonheid. Leuwsha maakte een omgekeerde beweging, emigreerde in de jaren negentig naar Paramaribo. Leuwsha schreef verschillende non-fictie boeken en romans over Suriname, en ik dacht, ‘waarom heb ik van deze schrijfster nooit eerder iets gelezen’?  Dus mee moet deze roman.
Dan Bleekers zomer van Mensje van Keulen, een jubileumuitgave waarmee de schrijfster haar vijftigjarig schrijversschap viert. Nu bij herlezing herken ik direct weer de sfeer van klein huiskamertjesleed, verstikking in het gezinsleven. ‘Bleeker kreeg het avondeten maar met moeite weg. Niet omdat ie geen honger had maar omdat ie al drie dagen niet had kunnen poepen. Als ie nog meer at, zou het in zijn slokdarm blijven hangen.’, is de opening van deze kleine roman.

De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd van de Noorse schrijver Rune Christiaansen gaat mee om zijn prachtige proza, waarin geheime familierelaties langzaam aan het licht komen. Een poëtische ‘wie is wie’ vertelling.

Marja Pruis gaat haar nieuwste boek Boos meisje mee. Pruis schrijft over onder meer dat wat je leest, je tot medeplichtige van de geschiedenis maakt. Essays om de geest wakker te houden. Daar kan wel eens behoefte aan zijn tijdens een sluimerende zeevakantie.

Naar mijn weten is er niet eerder een roman over de aidsepidemie, die ook in Amsterdam vele slachtoffers maakte, verschenen. De impact die het had op de jongeren van toen. Zoals jongeren die nu opgroeien in een cancelcultuur, twee jaar via zoom les kregen, geen festivals konden bezoeken, de betekenis daarvan zich vaak jaren later aftekent. Zo ook bij schrijver Eric de Rooij, zijn tweede boek Augustus, dat zich afspeelt in de maand augustus 1988, gaat over uit de kast komen terwijl een dodelijke ziekte het uitgaansleven beheerst.

Wie is die vrouw? van Elke Geurts wil ik lezen om het heldere vertellen, ze doet me denken aan Rachel Cust, hoe ze haar verhaal vertelt, het onderzoek naar zichzelf, de in de steek gelaten vrouw die de schuld bij zichzelf zoekt. ‘Het gezicht van de vader van mijn kinderen verrees plotseling voor mijn keukenraampje. Zijn voorhoofd was tegen het glas gedrukt, naast het dode plantje dat aan mijn buitenmuur hing en dat ik ook al niet goed had verzorgd.’

Dan ook nog de biografie Geen tijd verliezen Jeanne Bieruma Oosting 1898-19994, dat me mateloos intrigeert, een vrouw die enkel leefde voor de kunsten. Biograaf Jolande Withuis bezocht haar in 1990 in Amsterdam. Ze kwam om een schilderij uit te zoeken, een promotiegeschenk. De man van Withuis had, toen Jeanne Oosting belde om een afspraak te maken, de telefoon opgenomen. Het volgende gesprek ontstond, kort na ontvangst door de kunstenares. Had ze goed gehoord ‘dat een man mijn telefoon had aangenomen?’
‘Ja, mevrouw, dat was mijn man.’
‘Maar het ging toch om een promotiecadeau?’
‘Ja, ik promoveer volgende week.’
‘Maar als u wetenschapper bent, zult u toch geen man hebben? U kunt toch geen twee heren dienen?’
Wat een geweldige opmerking is, waardoor ik alles over deze vrouw wil weten. Zij was ook bevriend met Ida Gerhardt, ze schreven elkaar brieven, wat deze biografie nog interessanter maakt.
Ik weet, het is misschien wat overmoedig te denken dit allemaal te lezen in twaalf dagen op een eiland, maar toch. Elke  dag een bladzij of tweehonderd moet lukken, maar misschien moet ik dan toch Jeanne Oosting thuislaten, voor als ik terugkom.

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief!

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

×