VANDAAG

  • 23 juni (1851) D.M. Maaldrink
  • 23 juni (1883) Willy Pétillon

ZL interviewt Nicolien Mizee

Op 11 maart 2023 organiseert Zutphen Literair in de Walburgiskerk de tweede MRTNT-rede, te houden door Nicolien Mizee. In de aanloop naar deze avond plaatst Zutphen Literair in Contact Zutphen-Warnsveld d.d. 1 maart 2023 een artikel en een deel uit een interview met Nicolien Mizee. Het volledige interview vindt u hieronder.

Nicolien Mizee aan het woord

‘Martinet zag de natuur als een uitdrukkingsvorm van God, God sprak tot de mens in de bijbel en in de natuur. Je zou de natuur dus de taal van God kunnen noemen. Welke uitdrukkingsvormen houdt Hij er nog meer op na? Hoe komt het dat menselijke taal ongeschikt is om mensen tot het geloof te brengen? Dan werken muziek en natuur beter! Hoe komt het dat Martinet geen enkel probleem zag in het verenigen van God en wetenschap? En hoe zit dat eigenlijk bij mijzelf?’
Ik had nog nooit van Martinet gehoord, maar ik heb me in hem verdiept toen ik voor deze rede werd gevraagd. Het lijkt me een geweldige man: een Jac P. Thijsse avant la lettre: een man die de ogen van de mensen wil openen voor de schoonheid van de natuur. Hoewel de lofprijzingen tot de Heer nu wat overdreven aandoen, vertelt hij wel degelijk veel over de natuur. Een mooie zin van hem vind ik: ‘Vrolijkheid is dankbaarheid’.

Ik genoot altijd wel van de natuur, dacht ik, maar toen ik Rob leerde kennen (mijn man) werden mijn ogen geopend voor de enorme veelvormigheid van die natuur en de ingenieuze manier waarin alles met alles verbonden is. Als ik nu met vriendinnen wandel, valt mij op dat ze bijna niets zien. Zelfs als ik hen op vogels wijs, zien ze niet. Zo was ik ook, iets wat ik nu onvoorstelbaar vind.
Ik heb mijn tuin nu al vijftien jaar. Laatst zat ik met mijn onkruidsteker in de aanslag om een paardenbloemstek uit te graven en ineens dacht ik: waarom doe ik dit eigenlijk? Na enig nadenken wist ik het: omdat Gerrit, mijn overbuurman op de tuin, vijftien jaar eerder had gezegd: ‘Paardenbloemen! Zo snel mogelijk uitsteken!’ Daarna ben ik dat 15 jaar gedachteloos blijven doen. Dat zet je wel aan het nadenken. Ik ben wel anders gaan tuinieren, minder ‘netjes’. Dat is nooit zozeer een voornemen geweest, maar als je telkens opnieuw hoort welke kleine beestjes in de stelen van afgestorven planten overwinteren, ga je vanzelf minder uittrekken. Eenmaal heb ik, zoals het hoorde dacht ik, mijn composthoop ‘omgezet’ in de winter. Een zeer slaperige pad was daar aan zijn winterslaap bezig! Ik heb hem teruggezet, toegedekt, en laat die composthoop nu met rust tot de padden door mijn tuin dartelen. Ik kan me al dat soort dingen natuurlijk permitteren omdat ik een hobbytuinier ben.

Laatst werd ik door een jonge journaliste geïnterviewd die het steeds maar over ‘herkenbaarheid’ had, alsof dat het hoogst haalbare is voor een schrijver. Dat is niet zo. Toch is het denk ik wel een compliment als iemand zegt dat ze zich herkent in de faxenboeken. Helemaal begrijpen doe ik het niet. Ik denk dat de enorme twijfel van de hoofdpersoon (ik) prettig is. Het lijkt flink en stevig om een duidelijke mening te hebben, en als je dan een boek leest waarin iemand lang wikt en weegt is dat misschien een opluchting.
Faxen versus romans? Ik vind eigenlijk dat het niet aan mij is om te zeggen wat waardevoller is. Voor mij is het ‘bezorgen’ het persklaarmaken van die faxenboeken, een jaarlijkse gruwel. Daarom heb ik dit jaar een jaar vrijaf genomen, in de hoop weer een lekkere sappige detective te schrijven.
Het ooit aangekondigde Dood op boot? Maar niet meer op een boot, denk ik, want ik heb bij wijze van research een boottocht gemaakt en kreeg zo’n geweldige last van claustrofobie dat ik na één dag al naar huis wilde. Sindsdien overvalt die paniek me weer als ik over mensen op boten schrijf, dus ik moet een andere arena zoeken.

In 2006 publiceerde ik een boek over iemand die tussen man en vrouw in zat, En knielde voor hem neer, een interseksueel heette dat toen, en dat boek zakte volledig in de plomp. Men vond het raar en akelig. Ik was daarna klaar met het onderwerp, want ik had het voor mezelf al tot de bodem onderzocht. Dat het tien jaar later zo’n geweldige hype was, vond ik wel mooi. Het had me indertijd, toen ik research deed, enorm verbaasd dat er zo weinig aandacht voor was.
Baby’s met een niet eenduidig geslacht werden geopereerd. Een ouder zei: ‘Anders kun je nooit een avondje weg. Je kunt geen oppas vragen.’ Dit uit schaamte. Dat was een gruwelijke misstand natuurlijk, maar als ik er met anderen over sprak, keken ze me met lege blik aan. Ze snapten niet waar ik me druk om maakte. Er is blijkbaar een tijd voor alle dingen, zoals Prediker zegt.

Columns? Ik lees zelf alleen Trouw en geen andere kranten, dus ik ken alleen hun columnisten. Stevo Akkerman vind ik heel erg goed en Bert Keizer ook. Geweldig zoals die laatste jaar in jaar uit (hij schrijft overigins maar eens in de twee weken) over eenzelfde onderwerp (hij was verpleeghuisarts en is nu SCEN-arts) me elke keer weer weet te boeien en te verrassen. Wat je moet vermijden bij een column is een ‘juich en jubeltoon’, dat gaat snel irriteren. Het moet niet alleen maar anekdote zijn en ook niet alleen maar mening. Het moet iets onderzoeken, liefst naar aanleiding van een gebeurtenis. Ik begin dus wel bij het eigen leven, maar hoop het daarna toch naar iets universelers op te stoten.
Voorts heb ik een grote afkeer van discussies, dus zal ik me niet snel in een discussie mengen en schrijf ik soms iets gemoedelijker dan ik er misschien echt over denk, teneinde niemand op de tenen te trappen. En ook: zo’n column kost me dagen en dagen. Tijdens het schrijven ontdek ik langzaam hoe ik over iets denk. En als je dat ontdekt hebt, valt er een grote rust over je en hoef je je niet meer op te winden. Dat is het hele nut van schrijven: gemoedsrust verwerven door alles tenminste éénmaal uit te spreken. (Dat is ook een voordeel van verzinsels versus autobiografie: je kunt mensen de meest afgrijselijke dingen in de mond leggen zonder dat je er last mee krijgt, want jij zegt het toch niet zelf? Hoewel dat op dit moment steeds lastiger wordt).

Schrijf je beter als je het vak zelf onderwijst? Ik ben altijd verbijsterd over de stommiteiten die ik uithaal bij het schrijven. Soms, als ik er helemaal niet meer uitkom, denk ik: als ik leerling bij mezelf zou zijn, wat zou ik als lerares dan zeggen? En dat helpt. Maar ik ben nu bezig met een ‘wandelboekje’ in de reeks ‘Terloops’ van Van Oorschot en kreeg het stijf van de rode strepen terug. Ik had de meest basale fouten gemaakt: tijd en plaats waren niet duidelijk, het was niet eens duidelijk of ik alleen was of met iemand anders… Ook had ik enig ‘exposé’ (uitleg) in een dialoog gezet om het wat levendiger te maken, maar dat sloeg volkomen dood en toen dacht ik aan een uitspraak van mijzelf als lerares: ‘Dialoog is niet geschikt voor exposé’…

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief!

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

×